De Gravensteenslag

DE AANLOOP

Het begon, zoals alle goede studentenprestaties, tussen pot en pint in een of andere anonieme en bescheiden drankgelegenheid. Daar vatten enkele niet alledaagse studenten het plan op het oude Gravensteen, voor enkele uren althans, in te nemen. Het waren Felix de Hemptinne, Tony Claeys, Henry Hubené, Ludo Tollenaere, Valeer Van Overwalle en Jos De Seranno, op laatstgenoemde na allen studenten uit het tweede doctoraat rechten.

Bij dit origineel plan bleef het niet: op die bewuste woensdag 16 november 1949 werden in alle faculteiten geheime pamfletten rondgedeeld met de boodschap: "Dit briefje vlug en onopgemerkt laten doorgaan. De inhoud ervan geheim houden. Commilitones, neemt allen deel aan de reusachtige studentengrap die op touw wordt gezet voor woensdag 16 november. Scenario: bezetting van het Gravensteen. Weest gij ook op post: komt het Gravensteen binnen tussen 14.30 en 15.10 u. Alles is geregeld voor uw aankomst. Komt niet in groepen. Bergt uw flatten in uw zak en blijft kalm en gedisciplineerd. Waarschijnlijk bierclub in het Gravensteen. Breng munitie van alle slag, doch onopgemerkt, desnoods ook uw boterhammen mee. Einde tussen 18 en 19 uur... Wachtwoord: Uilenspiegel! Belangrijk bericht: Zweigen. Feind hört mit!"

DE BELEGERING

Onder een schimmig bleke herfsthemel vormden zich op het Veerleplein, aan de voet van het Gravensteen, hier en daar onopvallend studentengroepjes, flatten en tokken netjes opgeborgen zoals was voorgeschreven. Ze leken eerder kalm en wachtten op verdere orders. Ondertussen was Ludo met een acht man sterke voorhoede naar het Gravensteen gestapt om, gewapend met reglementaire toegangskaartjes binnen te trekken en de baan vrij te maken van eventueel dienstdoende suppoosten. Als hij van de conciërge vernam dat vermindering slechts vanaf veertien personen mogelijk was, liet hij onder het motto "besparingen eerst!" zijn groepje verkenners in de steek en kwam nog zes man op het Veerleplein optrommelen. Onder leiding van de enige ter plaatse fungerende suppoost werd dan een rondleiding aangevat. In de ridderzaal vertelde deze aan zijn zeer onschuldig en naïef uitziende bezoekers hoe daar ter plekke, na vele twisten en oorlogen, eindelijk de vrede werd getekend. Ludo onderbrak hem en deelde hem mee, in alle ernst, dat de studenten van Gent nu ook eens een onschuldig, vredelievend oorlogje wilden voeren, zonder kleerscheuren en wapengekletter. Na enig aandringen bleek de suppoost overtuigd dat het zijn bezoekers ernst was. Hij besefte dat hij met wolven in schaapsvacht te doen had en gaf zich onmiddellijk gewonnen.
De groep stoof naar buiten en gaf het sein aan de wachtend en om zonder betaling naar binnen te stormen. De conciërge aan de ingang kon zijn ogen niet geloven, protesteerde en riep, maar kon niet verhinderen dat die gangsterbenden hem onder de voet liepen.

In het gewoel kwam Henry met de beruchte tweewielerstootkar, beladen met fruitprojectielen, voetzoekers en op te hangen plakkaten, binnengehold. Als iedereen veilig en wel binnen was moest de poort dicht, die blijkbaar van binnenin niet kon gesloten worden. Verbeelding en improvisatie waren op zo'n kritieke momenten van levensbelang. De lange zware ijzeren relingen, waartussen normale bezoekers zich moesten aanmelden, werden met man en macht opgetild en schuin tegen de zware poorten aangeduwd onder de bovenste dwarsbalken. Een zucht van verlichting. Alleen de conciërge, gestoord in zijn habituele rust, liep nog over en weer te tempeesten en te manifesteren: "dat da gien maniere zain" en "dat da hier rap moe gedoin zain!". Hij dacht aan de gevolgen voor hem en zijn baantje.

Wij echter waanden ons veilig en wachtten. Projectielen werden rondgedeeld en plakkaten opgehangen aan de kantelen met de door de bezetters ingestelde vorderingen: "Wij eisen bier aan drie frank", "Nuts voor de nieuwe kepie's" "Wij eisen de afschaffing van het 'Rolleke' (Gents stadsprison)" en andere leuzen als "Uilenspiegel is nog niet dood!".

Als alles was rondgedeeld of opgehangen kwam er een eerste verrassing, niet van buiten maar van binnenuit: tegen alle verwachtingen in arriveerden nog enkele toeristen die pas nu een rondleiding beëindigd hadden, bij een uitgang die versperd was. Dat gewoel aan de poort en rondom, voorspelde voor hen niets goeds. Als ze vernamen welke perikelen hen te wachten stonden, sloeg de angst hen naar de keel. Ze zetten een grote bek op en wilden per se naar buiten. Het bleken Hollanders te zijn! Tot overmaat van ramp kwamen ook nog enkele laatkomers aan de buitenpoort roepen en op de deur bonzen om nog binnen te geraken (waar heb ik ooit zoveel vermetelheid gezien!). Verschrikkelijke keuze: bange Hollanders die van hun tak maakten om buiten te geraken, overmoedige studenten die er nog absoluut bij wilden zijn en de bezetters die twijfelden, uit vrees voor de politie die plots kon komen opdagen. Als werkelijk bleek dat op het Veerleplein nog steeds geen glimp van de Openbare Orde te bespeuren viel, week de angst voor het voortijdig mislukken van de grap en besloot men tot een ruil: de ene naar binnen en de andere naar buiten. Na veel wrikken en trekken ging de uitwisseling door en de poorten weer dicht. Weer werd er gezwoegd en gezeuld om de ijzeren relingen onder de bovenste stutbalken te krijgen. Pas nu was iedereen opgelucht en kon men eens diep ademhalen. Er kome nu wat komen moet.
Helaas, er kwam niemand. Iedereen keek hoopvol van de tinnen van de burcht neer en verwachtte elk ogenblik een ordehandhaver te zien opdagen, maar er kwam niemand langs. Wel vriendelijke Gentenaars die terugwuifden naar die zwaaiende en vrolijk roepende bezoekers boven. Ze stelden zich geen vragen en gingen voorbij.
Verder gebeurde er niets, helemaal niets. We begonnen sterk te twijfelen aan de opzet van de grap en Vleesden voor een saaie, kleurloze namiddag.

Maar niet getreurd. Van links, van over de Vleeshuisberg, naderden - niet te geloven - eindelijk twee fietsende politieagenten. Niets vermoedend wuifden ze terug naar de jolige studentenbende boven. Tot één van de twee voor ons zo welkome gasten, door een fruitprojectiel getroffen werd. Alles veranderde op slag: geraakt in hun eer en waardigheid gooiden ze hun fietsen tegen een nabije telefooncel, liepen naar de ingang en bonsden op de poort om binnengelaten te worden.
Het klonk onheilspellend: iedereen viel stil en wachtte af. Na herhaald en vruchteloos beuken in de ijzige stilte liep één van hen terug naar de telefooncel, sloeg alarm en ... eindelijk de start: het spel kon beginnen!
Niet lang daarna kwamen de eerste politiejeeps het plein opgereden met manschappen die verbaasd keken en riepen en chefs die bevelen gaven. Nog andere van hun spitsbroeders kwamen afgezakt: keken, riepen, gaven tekens... en zagen hopeloos toe.
Voorbijgangers waren nieuwsgierig en bleven ter plaatse rondhangen. Het plein - in de Middeleeuwen berucht om de uitvoering van zijn gruwelijke doodvonnissen - vulde zich met burgers die lachend toezagen en ordehandhavers die keken, maar niets konden aanvangen. De politie kon niet aanvaarden dat ze geen matrak kon gebruiken, niemand kon oppakken, geen handboeien kon omslaan, niets.
Alleen rondtrappelen en opzij springen als af en toe een projectiel of voetzoeker kwam aanrazen. Tussen de kantelen en in de open ramen van het achteropstaand slot bewogen zich studenten. Ze joelden en tierden naar beneden, oppermachtig, zegezeker of keken al even verbaasd als de toeschouwers benedendeks, de lachende Gentenaars die ze langzaam maar zeker op hun hand kregen. Van beneden af leken ze op het eerste gezicht met veel, heel veel, zeker wel honderden!
En het bleef duren, maar het was een eenrichtingsverkeer van boven naar beneden: gooien en uitjouwen.
Men voelde dat er verandering op komst was. Er werd nu strategisch gedacht: alleen de brandweer kon hier hulp bieden. Met alarmgeloei en belgerinkel arriveerde de Gentse brandweer onder het onstuimig gejuich en hoerageroep van de Gentse omstaanders voor wie de show nu echt ging beginnen.

De brandweer ontrolde haar waterslangen en plaatste haar ladders in stelling tegen de buitenmuren. De mannen achter de wallen geraakten even in paniek als de eerste pompier naar boven klom met de spuit in aanslag. Vlak achter de kantelen op de nog groene graszoden lagen planken van herstellingswerken. Ik was even van mijn stuk gebracht als ik zag dat mijn spitsbroeder zo opgingen in hun spel dat zij alle voorzichtigheid uit het oog verloren: ze schoven de planken tegen de ladder aan en trachtten deze met geweld af te stoten. De ladder begon gevaarlijk te wankelen. De studenten waren niet meer te houden. Ze rukten wild de graszoden uit de grond en gooiden ze met alle heftigheid naar die pompierskop op 3 meter voor hen!

Door het schudden van de ladder kon hij echter zijn spuit niet richten. Het water kletterde van de laddersporten op hem terug en druipnat moest hij de graszoden afweren. Zijn gezicht was één moddervlek. Hij smeekte meer dan hij vloekte: "Spaar me, ik ben vader van vijf kinderen!". Iemand riep: "Spijtig dat het geen dochters zijn!". De jeugd kon meedogenloos en ongenadig zijn. Ik had medelijden met die man, maar dat was voorbarig!

In het geharrewar en krijgsgewoel stond tussen de kantelen, onverstoorbaar als een veldheer, de Felix. Door een ouderwetse toeter bazuinde hij met een staccato stem "Po - li - tie - van - Gent, geef - u over!" Het rolde over het plein als een golvende waterslag. De aanvankelijk opgekropte ergernis van de openbare macht groeide van ontzetting over woede tot mateloze razernij. Wee hem die nu in hun handen zou vallen. De commandant ziedde van toorn. Hij haalde zijn pistool boven en - ongelooflijk - vuurde herhaalde malen in de lucht, wat geen indruk maakte. De knallen gingen verloren in het krijgsgewoel en in de ploffen van de voetzoekers. Onverstoorbaar klonk Felix zijn oproep: "Politie van Gent, geef u over!". Hij had lef zich zo bloot te geven. Dat beloofde voor straks!

Een nieuw gerucht verspreidde zich. Een vierde medespeler was op komst. De rijkswacht, op oefening in Dendermonde, was teruggeroepen naar Gent. Iedereen was verwonderd en keek vol ontzag toe. In een sfeer van macht en gezag ontplooide zich het rijkskorps onder het alziend oog van een strenge en vooral opkijkende majoor.
Er moest sterker ingegrepen worden: het plein werd ontruimd, het verkeer omgeleid en de toeschouwers, die steeds bleven aangroeien, de zijstraten ingewurmd. De heren van de openbare orde hadden nu het slagveld voor zich alleen. Ze stonden her en der verspreid en, gelukkig voor de bezetters, nog steeds in het bereik van de rondzoevende projectielen. Welke trots bekroop hen om niet achterop de huizemijen post te vatten en buiten schot het einde af te wachten?

Het was vijf uur geworden; de vooravond liet zich voelen. Vertoonden de bezetters oorlogsmoeheid of begon het welleljes te worden? Zeker was het dat enkele studentenleiders die zich in hun rangen bevonden dezelfde avond ergens anders moesten aanwezig zijn. Sommige commilitones hadden er dus graag mee opgehouden, anderen vroegen niet liever dan de strijd verder te zetten. Men besliste een kort overleg te houden beneden op de binnenkoer. Ondertussen hadden de pompiers het allerlaatste snufje van klimtechniek uit hun arsenaal gehaald: de hooguitschuivende Metzladder, voor de eerste maal in dienst te Gent. Gebruikmakend van de verzwakte aandacht van de bezetters werd ze, onder het toeziend oog van de rijkswachtmajoor, naar de poort toe gereden en tegen de toren uitgeschoven.

Felix, de onverschrokken hoornblazer had het gevaar zien aankomen en verdween als de bliksem naar de achterzijde van de buitenwal. Hij haalde een lasso van onder zijn jekker, gooide hem over een kanteel en duikelde naar beneden. Een Judasvrouw riep naar een nabije agent:”’t goat doar iene goan luupe!” Felix wist op het nippertje in de massa te ontkomen en vluchtte langs de Geldmunt en de Zeugsteef het Patershol in. Een eerste ontsnapping was geslaagd!

Tot verbazing van de 135 overblijvenden verscheen in het bovenste torentje van het poortgebouw een politieagent, matrak in de vuist. Hij wachtte niet op zijn kompanen, maar liep de schansen rond naar de trap.

Het verzamelde studentenheir besefte dat dit het einde was en iemand riep: "Iedereen blijft staan en niet meer bewegen!" Niemand bewoog nog, wat niet belette dat de agent de eerste de beste student die hij tegen het lijf liep afsloeg als een crimineel, betrapt op heterdaad. Andere agenten kwamen nu één na één uit de torenkamer, stormden naar beneden en bewerkten iedereen die zich op hun weg bevond... tot zij erbij neervielen. De slimsten gingen vlug door de knieën en deden alsof. Een zekere Kris werd geweldig aangepakt, maar verweerde zich fel. Zijn lief, het enig vrouwelijk bendelid van het gezelschap schreeuwde stampvoetend: "Maar geef u dan toch over Kris!" (historisch geworden uitspraak!).

Vluchten kon niet. Zij die te dicht bij een agent stonden of op de verkeerde plaats, werden genadeloos neergeknuppeld. Verschrikkelijke consternatie! De langdurig opgekropte en onderdrukte ergernis, woede en razernij van de ordehandhavers kwam tot een onvoorstelbare uitbarsting.
Agenten waren erin geslaagd de poorten aan de binnenzijde te openen. Hun makkers kwamen als razenden binnengestormd en sloegen waar ze konden. Sommigen liepen met bijlen van de pompiers rond te zwaaien - ongelooflijk. De ontzetting steeg. Iedereen was angstig.
Alles kon gebeuren, maar niemand had dit verwacht. Bevelen klonken door elkaar. Studenten werden in een hoek gedreven en stevig bewerkt. Wie vooraan stond was de pineut, wie achteraan kon blijven riskeerde het minst. Wie vluchtte in een kelder werd ter plekke aangepakt. Wie eruit kwam, onderging hetzelfde lot. Uiteindelijk werd iedereen de grote kelderzaal ingedreven en moest er met de handen omhoog blijven staan tegen de vochtige muren. Hoelang?
Eén van de commilitones, die tussen de anderen in de rij stond, was opgelucht als de slagen uitgedeeld waren. Het kon hem geen moer schelen wat er nu komen zou, als er maar niet meer geslagen werd. En er werd niet meer geslagen. De angst was voorbij en hij voelde zich opgewekt. Het gebulder van de rijkswachtmajoor stoorde hem niet, doch hij begon zich te vervelen en wilde naar buiten om een sigaret op te steken. Hij veinsde onpasselijkheid en zakte tenslotte in elkaar. Kandidaten onder de studenten te over om hem naar buiten te dragen in de frisse lucht en als verplegers te fungeren. Hij voelde zich genoodzaakt het spel verder te spelen en verzon een list door een aanval van de vallende ziekte voor te wenden. Een uur lang spartelde en raasde hij omringd door een tiental politieagenten, waarvan er een met een onbegrensde zelfzekerheid steeds herhaalde: "den diene heet da nog ghad ge ziet dadde". Bijkomen na verloop van tijd bleek moeilijker. Hij moest de ogen openen en merkte dan het belachelijke van de situatie.

Hij mocht zich niet verraden door een steeds opwellende glimlach die hij moeilijk kon onderdrukken en alleen maar kon verstoppen door zijn jaskraag op te zetten, waarachter hij zijn mond kon verschuilen. Er kwam een dokter aan te pas die met een knipoog kon bekeerd worden om niet al te veel professionele ijver aan de dag te leggen. Door de politie werd beslist hem met een ziekenwagen naar een kliniek over te brengen. Gelukkig kon de dokter, die onraad rook, hen overtuigen hem onmiddellijk naar huis te laten transporteren, wat gebeurde. Dat was dan nummer twee die ontsnapte. Er bleven er nu nog 134 over.
Een uur later stond uitbreker nummer twee terug aan het Gravensteen met een valse bril, pet en andere vermommingen, aan de arm van zijn zus, tussen de toekijkende menigte. Hij zag nog juist de overgebleven strijdmakkers in celwagens laden en naar het "rolleke" voeren. In hun nieuwe verblijfplaats werden verhoren afgenomen en processen-verbaal opgesteld. Met grote verbazing stelde de politie vast dat er nogal wat juristen in het gezelschap thuishoorden (de grap ging immers uit van creatievelingen van het vierde jaar rechten) evenals zonen van notabelen, van professoren en zelfs het neefje van een minister.
Vanaf 22u30 werden ze, nadat ze de nodige aanmaningen hadden gekregen en met angstaanjagende dreigementen waren opgezadeld, om het kwartier, per twee losgelaten.
Ontsnapte nummer twee, die allang in bed lag en zweefde tussen vrolijke en droeve dromen, werd uit zijn slaap gewekt door ontslagen spitsbroeders die geen trein meer naar huis konden halen en hem om slaapgelegenheid verzochten.
Ze waren lelijk toegetakeld, murw geslagen en vernederd tot op het bot.

De grap was duur betaald geweest

PS Van dit verhaal is alles echt gebeurd.Niets is verzonnen.
Namen en toespelingen zijn niet toevallig!

DE PERS

De dagbladen lieten natuurlijk deze gelegenheid tot sensatieberichtgeving niet voorbijgaan. Alle Vlaamse kranten wijdden ellenlange artikels aan de inname. De Standaard en Het Nieuwsblad spraken van een "Middeleeuwse oorlog" te Gent. Het Volk gaf een boeiend en geïllustreerd relaas, dat veel weg had van echte sensatieliteratuur.
Het Laatste Nieuws trachtte een objectief en gedetailleerd verhaal van het gebeuren te brengen: "Daarop sloten de studenten de deur' en vroegen de portier ter zijde te gaan. De ambtenaar werd niet eens opgesloten en kon vrij op de binnenplaats rondwandelen. Er werd hem enkel verbod opgelegd te telefoneren. Ook werd volgens de Heer Boes niet de minste schade aan het gebouw toegebracht".
Vooruit had vooral oog voor de politie: "De afschuwelijke nieuwe uniformen der politiemannen, die iedereen met antipathieke en sombere gevoelens vervult, draagt mee schuld aan het verloop van de herrie. Inderdaad want rotte appelen en peren werpen op nieuwe kwetsbare petten is heus leuker dan op harde ijzeren potten".

De Gravensteeninname haalde zelfs de buitenlandse pers. Le Figaro schreef: "Puis, renouvelant l'exploit de leurs ancêtres, ils entreprirent d'arroser la grand'place du haut de la Tour du guet, du donjon et du chemirtde ronde, non point comme jadis avec de l'huile bouillante et du plomb fondu mais avec des pommes et des carottes pourries, des fusées et même des boules puantes". De Franc-Tireur sprak van een monsterspektakel dat men zelfs niet meer beleefde in Parijs, "ou les traditions se meuf€.!:lt".The New Vork HeraId Tribune tenslotte had zelfs tanks gezien en verklaarde onomwonden: "The students of Ghent are the biggest of the world although they are not Americans!".

HET PROCES

Voor de studenten was het ergste geval natuurlijk de mogelijkheid tot een geopend strafregister: onder de helden bevonden zich inderdaad een aanzienlijk aantal juristen en ook voor de andere was een zwart blaadje bij de politie geen aangenaam vooruitzicht. Toch hadden de studenten grote troeven in handen: de pers was in het algemeen gunstig gestemd en ook de Gentse publieke opinie schatte de grap naar haar volle waarde! Er werd dan ook van rechtsvervolging afgezien.

DE FEESTELIJKHEDEN

Dat zulke grap niet in de vergetelheid kon geraken, wist iedereen. In 1950 werd dan ook de eerste herdenkingsplechtigheid gehouden – nog niet door het SK- maar door het comité van de oud-stijders. Het was zo een succes dat besloten werd elk jaar een feestdag te maken van die memorabele woensdag 16 november. Naar de unanieme wens van de oud-strijders, ondertussen afgestudeerd en met belangrijke functies bekleed als geneesheer, advocaat, bankdirecteur, diplomaat en magistraat, werd het Seniorenkonvent hiermee belast.

V. Van Overwalle
J. Van Ooteghem

UILENSPIEGEL OF GRAVENSTEEN

1950-1954

Als auteur van onderstaand artikel voel ik mij eerder een vreemde eend in de bijt. Alle andere redacteurs komen uit het SK-midden en hebben dus bindingen of affiniteiten met het clubleven. Ik ken de studentengroepering alleen vanuit mijn functie als archivaris van de RUG. Het was echter precies daarom dat men mij, als zogenaamde onpartijdige historica, verzocht om de overgang van de Uylenspiegelfeesten naar de Gravensteenherdenking op te snorren.
Na de memorabele inname van het Gravensteen in november 1949 werd het evenement de eerstvolgende jaren herdacht onder de benaming Uylenspiegelfeesten. Vanaf 1952 ging de viering door onder de titel Gravensteenfeesten en kwam de organisatie ervan volledig in handen van het Gentse Seniorenkonvent. Er werd mij gevraagd te achterhalen hoe deze bevoegdheidswisseling tot stand kwam en dus een kijkje te nemen achter de schermen van de gebeurtenis. Laten we daarom even in de geschiedenis van het Gentse studentenleven net na de tweede wereldoorlog duikelen.
Hoewel we onderstaand verhaal starten bij de bevrijding en ongeveer beëindigen aan het einde van het academiejaar 1953/54 en er dus slechts 2 generaties studenten de revue passeerden blijft de reconstructie van het gedachtegoed van de Gentse studentenbeweging geen gemakkelijke taak. De bronnen zijn immers uiterst zeldzaam. Maar laten we toch een poging wagen.
Tijdens de bezetting werd het verenigingsleven van de Gentse studenten helemaal niet opgeschort. Sommige faculteitskringen bleven actief hoewel er enkele gecompromitteerd raakten in het Gents Studenten Verbond dat onder Duitse invloed stond. Andere kringen scheurden zich af van het Verbond en voerden actie in de clandestiniteit. Aan de universiteit opereerden ook twee totaal van elkaar onafhankelijke studentenweerstandsorganisaties, genoemd naar hun sluikbladen 'Klokke Roeland' en 'Tijl'. De eerste streed onder de banier van het Onafhankelijkheidsfront, de tweede stelde zich totaal onafhankelijk op van om het even welke verzetsbeweging.
Na de bevrijding beraadde men zich over hoe de Gentse studentenbeweging verder moest evolueren. Er kwamen nieuwe faculteitskringen waarin de meest representatieve en op dat ogenblik bereikbare figuren van elke faculteit zetelden. Ze stonden in voor het contact onder de studenten van een bepaalde richting. De veertien kringen waren verenigd in een konvent: het Faculteitenkonvent.

Enkele studentenleiders namen eind november 1944 het initiatief tot de oprichting van een nieuwe overkoepelende studentenorganisatie, dat het Nationaal Studenten Genootschap (NSG) werd gedoopt.
De statuten werden plechtig afgekondigd in de Aula op 17 januari 1945. De hoofdopdracht van dit NSG bestond erin de studenten te vertegenwoordigen naar de buitenwereld, te zorgen voor hun culturele, morele en materiële belangen, en bij te dragen tot hun vorming tot intellectuelen.
In de statuten stond ook de beginselverklaring dat het NSG buiten elke politieke, filosofische en godsdienstige overtuiging stond, een stelregel die in de volgende jaren aanleiding gaf tot heel wat commotie binnen de Gentse studentenwereld. Ten einde deze neutraliteit te waarborgen stoelde het NSG organisatorisch op de Gentse faculteitskringen, die eveneens een politiek ongebonden karakter vertoonden. De algemene leiding van het NSG werd verzekerd door een vijfkoppig centraal bestuur en de praesides van de faculteitskringen. Zodoende verklaarde het NSG dat het alle Gentse studenten vertegenwoordigde en kon het daardoor ook rekenen op de sympathie en de steun van de academische overheid.
De uitsluiting van de politiek en filosofisch getinte groeperingen door het NSG was radicaal. Elke binding met hen was uit den boze. Om centraal bestuurslid van het NSG te worden mocht men immers volgens de statuten niet in het bestuur van een politieke of filosofische studentenvereniging zetelen.
De statuten bepaalden ook de rol van het SK binnen het NSG. De praeses van de vereniging der regionale clubs werd als 'feestleider' belast met het gezelschapsleven van de Gentse student. Deze bepaling zou later eveneens een grote rol spelen.
De neutrale koepelorganisatie werd aanvankelijk door iedereen gedoogd. Zelfs het KVHV, met haar 600 leden numeriek de belangrijkste Gentse studentenvereniging, erkende de noodzaak van een onafhankelijke studentengroepering. Het bestuur raadde zijn leden wel aan massaal lid te worden van een faculteitskring. Of we dit reeds moeten verklaren als een strategische zet om met stille trom het NSG-bestuur binnen te dringen laten we in het midden. Doch al heel vlug kwam er verandering in die tolerante houding.

Een eerste poging tot interferentie werd ondernomen in de lente van 1946. Vijf politieke en filosofische studentenverenigingen Ct Zalf LVSV, SVSB, KVHY, AKSV) vroegen aan het NSG-bestuur het anti-Francomanifest mede te ondertekenen, een politieke stellingname die de statuten vanzelfsprekend niet toeliet. Hoe zwak de positie van het NSG van meet af aan was bleek uit de reactie van de voorzitter van het centrale bestuurt P. Doussy. Hij probeerde de patstelling te ontwijken door de vraagstelling om te buigen tot een princiep kwestie 'voor of tegen de democratie', wat eventueel wel kon overwogen worden. Na een heftige discussie, waar ook eventjes andere delicate onderwerpen zoals de koningskwestie en de Russische dictatuur op tafel werden gegooid, haalde het neutrale standpunt het toch bij 7 kringen tegen 4. Men kan deze collisie omschrijven als een eerste poging tot een paleisrevolutie met het doel een statutenwijziging af te dwingen waardoor een grotere controle door de politieke verenigingen op het NSG mogelijk werd.
Zeer voorspoedig werd het NSG niet. Na enkele academiejaren rekruteerde het nog maar 1 % van de Gentse studenten. Ook de opkomst van de studenten op diverse manifestaties die de vereniging inrichtte zoals de debatavonden of zelfs bij vergaderingen was ondermaats. In 'Gents Studentenleven', het orgaan van het NSG, werd dan ook met de regelmaat van een klok geklaagd over 'een kleurloze en futloze verstarring' onder de studentenpopulatie. Voeg daar nog de zwakke houding van de faculteitskringen aan toe die de basis van het NSG uitmaakten, dan is het gemakkelijk te begrijpen dat het NSG moest inbinden tegenover de politico-filosofische studentenverenigingen. In 1947/1948 was het zover en kregen laatstgenoemden een, zij het voor een zekere tijd imaginaire, plaats in het NSG-midden. Hun 7 praesides werden opgenomen in een consultatieve raad die zou geraadpleegd worden bij belangrijke kwesties. Maar zij wildenmeer. Vooral het rechtse kamp binnen de Gentse studentenbeweging zou niets onverlet laten om het neutrale NSG te infiltreren en te ondergraven. Het KVHV riep eind academiejaar 1948/1949 de studenten zelfs op het NSG te kelderen door hun lidgeld voor de faculteitskring niet te betalen.

Op de vooravond van de Gravensteengrap vierde het NSG met veel luister zijn 1ste lustrum en werd P. Eeckman verkozen tot de nieuwe voorzitter voor het academiejaar 1949/1950. In een kernachtige programmaverklaring beet hij van zich af en verdedigde met klem de neutraliteit van de organisatie.
Het NSG zou zich onder zijn bewind evenmin consolideren, inte/~gendeel. De politieke organisaties bundelden even hun krachten en eisten niet alleen een naamsverandering- het woord 'nationaal' sloeg nergens op want het NSG was een lokale vereniging - maar ook een herziening der statuten. Vooral het KVHV speelde de rol van aanstoker en startte met een openlijke aanval tegen het 'neutrale studentensyndikaat': "Dit nationalisatie experiment is troosteloos en walgend". Het bracht volgens hun tijdschrift "slavengeest en knechtschap". Als enige uitweg zag het Verbond de oprichting van een interconfessionele zelfstandige Vlaamse studentenbeweging.

't Zal, beducht voor het kwantitatieve overwicht van het KVHV, pleegde overleg met de andere links georiënteerde verenigingen en aan het eind van het jaar verklaarden 't Zal, het SVSB en het LVSV, die hun krachten bundelden rond het motto vrijzinnigheid, gezamenlijk geen plannen te koesteren tot hervormingen van het NSG.. Het bestuur van het FK, dat over een mogelijke naamsverandering diende te stemmen, raakte het niet eens waardoor zijn zwakke positie nog maar eens beklemtoond werd.
Dit alles gebeurde te midden van de Gravensteeninname in november 1949.
Het plan om het Gravensteen in te nemen werd gesmeed tussen pot en pint in een studentencafé. Initiatiefnemers waren zoals hierboven gezegd: F. de Hemptinne, T. Claeys, J. Hubené, V Van Overwalle, en J. De Seranno. Op 16 november 1949 kwamen 136 commilitones op het appel en namen onder het wachtwoord Uylenspiegel de Gentse burcht in. Het evenement werd een studentikoos hoogstandje waarvan men oordeelde dat dit niet in de vergeethoek mocht raken. Dat de stunt heropgevoerd diende te worden, daar was iedereen het eens mee, maar wie zou er instaan voor de organisatie? Het antwoord op deze vraag zou de volgende jaren heel wat achterhoedegevechten met zich meebrengen, waardoor we hier eventjes moeten stilstaan bij de andere toekomstige hoofdrolspeler, met name het SK. Opgericht in november 1934 groepeerde het konvent de verschillende regionale studentenkringen. Deze zorgden voor het eigenlijke vermaak en gezelschapsleven onder de studenten dat in het teken stond van studentikoziteit, gezang, vermaak en kameraadschap. Het SK spartelde de oorlog door dank zij de voorname rol van Antwerpen Boven dat bijna alle praesessen leverde. In 1948/1949 telde het SK 14 regionale clubs.
Gezelligheidsleven is op het eerste gezicht synoniem van neutraliteit.
Maar aangezien diezelfde SK studenten ook soms aangesloten waren bij andere politieke of filosofische verenigingen kreeg dit konvent bij wijlen ook een politiek etiket. De Gravensteenherdenkingen, naar buitenuit een terugkerende onschuldige studentengrap, werden tijdens de daaropvolgende jaren het strijdtoneel voor politiek getouwtrek.

DE HERDENKINGEN

15 november 1950

De eerste herdenking van de Uylenspiegelfeesten ging zonder al te veel moeilijkheden van start. De 'nog studerende overlevenden' van het evenement stonden maar al te graag in voor de organisatie.

Op 15 november werd de inname overgedaan en liepen studentenverenigingen van alle pluimage uitbundig en solidair naast elkaarAlle politieke associaties liepen er zij aan zij met de SK'ers en de leden van de faculteitskringen.

Het organisatiecomité was identiek als het jaar voordien aangevuld met R. Tollenaere.

Om twee uur verzamelden de studenten op de Vrijdagmarkt voor een massale optocht naar het Veerleplein, gelegen rechtover de Gravensteenburcht. De stoet bestond uit groepen die een historische gebeurtenis uitbeeldden, vlaggen van de verschillende verenigingen en fanfares. Op het plein greep een academische zitting plaats met een rouwhulde en de huldiging van de 'Gravensteenders' die tot ridder werden geslagen in de 'studentikoze en soevereine orde van het Gravensteen' . De dag vol jolijt en vreugde werd besloten met een galavoorstelling in de Minard-schouwburg.

Onder de regie van R. Van Vlaenderen werd het stuk 'Gravensteen, Oord van Bloed, Liefde en Tranen' opgevoerd. Pikant detail: de latere rector L. De Meyer fungeerde tijdens de bedrijven als technieker van het linkse! gordijn. De opvoering werd een geweldig succes hoewel er zich een eerste incident voordeed dat een wig sloeg in de verstandhouding. G. Blondeel, redactiesecretaris van het comité, zong tijdens de galaopvoering een Franstalig lied. Dit lied vormde de aanzet tot een gezamenlijke protestmotie van alle Vlaams getinte studentenverenigingen en van het neutrale NSG, dat eveneens een uitgesproken Vlaams standpunt verdedigde. Vijand nummer 1 was vanzelfsprekend de franskiljonse studentengroepering AKVS, de vroegere Gé Catholique, waartoe de zanger behoorde. De voorzitter van het geviseerde AKVS, J. Storrer tevens "oud-strijder", reageerde met een tegenmanifest. In de eerste plaats verweet hij het neutrale NSG tweedracht te zaaien in de studentenmiddens en het evenement voor politieke doeleinden te gebruiken. Voorts wees hij er op dat het organisatiecomité wel eer tweetalige programmabrochure op de markt had gebracht, waaraar niemand zich gestoord had. Storrer doelde daarbij op de enkele Gentse handelaren die inderdaad tweetalige publiciteit in het blad hadden laten plaatsen. Tenslotte merkte hij nog op dat het Belgisch volkslied ontbrak op de plechtigheid in de schouwburg.
Hoewel beide partijen elk hun standpunt hadden verdedigd was het incident nog niet gesloten, integendeel. Het gaf de aanzet tot achterhoedegevechten waarbij de Vlaams georiënteerde studentenverenigingen blok vormden tegen de franskiljonse tegenstander. Het slippertje van Blondeel bleek een unieke gelegenheid te zijn om de Gé uit de Gentse studentenbeweging te bannen. Het zwak functionerende FK werd het uitverkoren strijdtoneel voor bedoelde eliminatie. W.Van de Veegaete, student in de rechten en ondervoorzitter van 't Zal, gaf de aanzet. Op de FK vergadering van maart 1951 diende hij een motie in om de Gé te weren uit de nog samen te stellen consultatieve raad van het NSG. A. VerhuIst, student in de geschiedenis en vicepraeses van het NSG, ging nog een stapje vérder. Hij liet een motie indienen om een brief aan de rector te zenden met de vraag om de erkenning van AKVS als Gentse studentenvereniging in te trekken.
Deze motie werd door de meerderheid van de vergadering goedgekeurd, waarop de FK praeses en rechtsstudent R. Moreels ontslag nam. De oprichting van de consultatieve raad bij het NSG bleef daardoor dode letter. Het FK raakte nog meer verzwakt.
Illustrerend voor deze krachteloze positie was een stukje proza dat verscheen in 'Opbouw', orgaan van de SVSB, dat commentaar gaf op een FK vergadering van januari 1951 en waarvan de inhoud door de VGeschK praeses Wouters werd beaamd: "Alle vijf minuten wordt er gestemd hoe er zal gestemd worden, of de verlopen stemming geldig was of niet en wie wel en wie niet mag stemmen. Dan zijn er nog mensen die hun stembrief weigeren in te dienen, waardoor dan gestemd wordt of de persoon in kwestie het recht heeft zijn stembrief niet af te geven en of dergelijke stemming geldig is of niet, om dan te stemmen of zulk een precedent gevaarlijk is of niet en dan stemt men tenslotte of het FK zich daarmee bemoeien mag", einde citaat.

15 november 1951

Aan het eind van het academiejaar 1950/1951 dacht men in het Gravensteencomité aan de volgende organisatieronde. Men vreesde voor de continuïteit van het evenement aangezien er verschillend oudgedienden afstudeerden. De inname moest volgens hen uitgroeien tot een traditie.
J. De Seranno, die bij de volgende Gravensteenherdenking nog aan de universiteit zou vertoeven, nam het initiatief een nieuw comité op poten te zetten bestaande uit mensen die de kringen waaruit zijn medestrijders voortkwamen vertegenwoordigden.
Op uitnodiging van de NSG praeses J. Debergh, bood het SK-bestuur eveneens zijn diensten aan om de zaak te helpen organiseren en het verwees daarbij naar de statuten van het NSG waarin het SK de taak toegewezen had gekregen van organisator en leider van de studentikoze feestelijkheden. De Seranno en H. Rombaut, voorzitter van het SK, kwamen tot een voorlopige overeenkomst waarna zij elk hun achterban consulteerden. Allebei liepen zij een blauwtje op. De Seranno kreeg te horen dat hij niet officieel gemandateerd was. De KVHV aanhang duldde geen onderhandelingen met de SK leider die uit een 't Zal-midden kwam. In het SK ondervond Rombaut dezelfde tegenstand want dezen wilden niets te maken hebben met de KVHV- kliek. Het SK-bestuur probeerde daarom het monopolie voor de inrichting van de herdenking te verwerven. Twee dagen na de voorlopige overeenkomst tussen De Seranno en Rombaut ging het SK-bestuur over tot actie en maakte in een motie bekend dat het de rol van organisator opeiste. Tezelfdertijd riep het SK de studenten op tot een boycot indien het geen alleenrecht kreeg. Het KVHV reageerde in zijn tijdschrift 'Ons Verbond'. Daar wees men erop dat het SK, met zijn 500 aangesloten leden, niet representatief genoeg bevonden werd om de hele studentenwereld te vertegenwoordigen. In het nadeel van het SK sprak ook het feit dat verschillende clubs niet tot het Gentse universitaire wereldje behoorden, zoals Ad Fundum, Academia, de Brouwers en het Textielinstituut. Bovendien liet de redacteur ook weten dat sommige regionale clubs niet bij het SK aangesloten waren. Er volgde een patstelling. Wie zou er de volgende Uylenspiegelfeesten organiseren?D-Day naderde.

Na veel over en weer gepraat bleek op 6 november de ruzie bijgelegd en kondigde het SK toch een akkoord aan met het Gravensteencomité aangezien, zoals het nu verklaarde, dit orgaan zou bestaan uit heuse studenten van de RUG. In dit nieuwe organisatiecomité zetelden: de voorzitter en feestleider J. De Seranno, 9 leden waarvan er 4 tot het SK behoorden, de 5 overige werden door het FK aangeduid. V. Van Overwalle vertegenwoordigde de oud-strijders. Volgens de woordvoerder van de SVSB had het SK de duimen gelegd voor het katholieke óverwicht van KVHV en AKVS.
Deze machtsstrijd ontging het overgrote deel van de studenten want de tweede herdenking van de slag werd een even groot succes als de vorige uitgaven. Alle verenigingen namen deel aan de vertoning, die nog steeds de benaming Uylenspiegelfeesten droeg en die dezelfde hoogtepunten had als het jaar voordien, met name: de optocht of rouwprocessie doorheen de stad, een plechtigheid op het Veerleplein en een Gravensteenbal, ditmaal in het Casino.

12 november 1952

De voorbereiding van deze herdenking kwam maar vrij laat op dreef. Het academiejaar was al begonnen toen op 9 oktober het nieuwe FK-bestuur vergaderde met A. VerhuIst als voorzitter. Eén van de agendapunten behelsde de inrichting van de Gravensteenfeesten. De bestuursleden raadpleegden hun archief en vonden de overeenkomst van het jaar voordien gesloten tussen Rombaut en De Seranno. Zij gingen er van uit dat zij enkele leden moesten aanduiden die samen met de vier SK vertegenwoordigers het inrichtend feestcomité moesten vormen. Bij monde van de voorzitter van het VRG, G. Derveaux, liet het SK aan de vergadering weten dat zij deze overeenkomst 'om gewettigde redenen' niet erkende en de feesten zelf zou inrichten.
Het FK, bevreesd voor botsingen, verzocht zijn voorzitter A. VerhuIst poolshoogte te gaan nemen. Tijdens een overleg verklaarde het SK-praesidium hem dat de overeenkomst waarvan sprake gesloten was door '2 personen in staat van dronkenschap' en niet door het SK-bestuur was bekrachtigd geworden. Bovendien wees het SK erop dat het statutair gemandateerd was door het NSG om alle feestelijkheden in te richten. VerhuIst concludeerde uit dit gesprek dat de feitelijke toestand erin bestond dat het SK het initiatief in handen had genomen en nadat hij de verzekering had gekregen dat alle verenigingen mochten meewerken en dat een NSG-lid de financiële controle mocht uitoefenen restte er hem en het FK-bestuur niets ander meer dan zich akkoord te verklaren.
Op 12 november 1952 verwierf het SK aldus de exclusiviteit van het studentikoos evenement, dat van dan af de officiële naam kreeg van Gravensteenfeesten. Aan het programma werd weinig gewijzigd. Centraal stond nog altijd de optocht waarvan het parcours enigszins werd gewijzigd. Hij eindigde met een schouwing en toespraken op de Kouter. Na een stop aan het station waar 'bekende gasten' werden opgehaald en een fakkeloptocht in het park werd de dag besloten met het bal in het Casino. Verleenden hun medewerking aan de derde herdenking: het NSG, het FK, zeven faculteitskringen en vijf politieke groeperingen, dertien SK verenigingen en enkele niet universitaire clubs.
totaal telde men 36 groepen die één of ander tafereel uitbeeldden.

18 november 1953

Wie had verwacht dat de Gravensteenfeesten zich sedert vorig jaar geconsolideerd hadden rond het SK en de organisatie van de volgende herdenking geen noemenswaardige hindernissen zou kennen kwam bedrogen uit. Deze keer kwam het tot een veldslag teneinde een machtspositie te verwerven binnen de Gentse studentenbeweging. Doelwit was niet alleen de herdenking van de Gravensteengebeurtenis, die haar vijfde uitgave vierde, maar ook het NSG dat een tweede lustrumviering in het vooruitzicht had.
Het boterde allang niet tussen het KVHV en de andere studentenverenigingen. Als kwantitatief belangrijkste groep streefde het Verbond naar een grotere machtspositie. Bij de bestuursverkiezingen van het NSG voor 1953/1954 kwam hun pion W. Tuytte in de voorzittersstoel. Zij probeerden ook het FK te controleren maar niet alle faculteitskringen waren rechts georiënteerd wat voor spanningen zorgde binnen dit lichaam.Daarenboven ging het KVHV zich in die periode meer en meer extreem profileren en scandeerde leuzen als amnestie, eentaligheid Vlaanderen en zelfbestuur. Cohabitatie met de andere studentenvenigingen raakte meer en meer onmogelijk. Een ander incident zorgde voor een definitieve breuk. De zogenaamde herstelbeweging Diksmuide-Breendonk op 25 oktober 1953 ingericht door IJzerfront voor België, ook wel de Fostybetoging genoemd, werd door katholieke studentenverenigingen aanzien als een francofone provovocatie. Te Gent gaf dit meer bepaald aanleiding tot manifestatie-incidenten, waarbij verschillende KVHV-studenten in de gevangenis belandden.
De links gerichte studentenorganisaties distantieerden zich krachtig van deze zaak. De agitatie rond deze operatie beïnvloedde in grote mate de organisatie van de Gravensteenfeesten.
Bij de eerste besprekingen poogden de KVHV'ers de macht van het SK te breken. Er ontspon zich binnen het FK een oeverloze discussie omtrent de financiën. De KVHV-aanhang wilde dat de opbrengst
van de feestelijkheden besteed werden aan sociaal dienstbetoon voor de studenten. Het SK dat de inkomsten voor eigen rekening wou weigerde. Het KVHV besloot daarop aan geen enkele SK-activiteit te zullen meewerken en gaf te kennen dat het een Gravensteenbal zou inrichten in de Opera. De Gentse orde beducht voor onlusten, verbood zulks. Het KVHV had zichzelf door de das omgedaan. Het SK met als voorman J. Algoed organiseerde met veel brio de lustrumherdenking van de Gravensteeninname. Op 18 november liepen in de optocht niet minder dan 43 groepen die verzamelden op de Vrijdagmarkt. De dag werd beëindigd met een bal in het Casino. Het SK kwam dus als overwinnaar uit bovengenoemde confrontatie.
Inmiddels had de malaise binnen het FK grotere vormen aangenomen waardoor ook het NSG dreigde ten onder te gaan. Het SK organiseerde een heuse putsch. De statutair aangestelde NSG Voorzitter Tuytte nam na een motie van wantrouwen ontslag en de SK voorzitter Algoed schoof de NSG vice-voorzitter W. Snauwaert naar voren als kandidaat opvolger. Als kersverse voorzitter stond hij in voor de tweede lustrumfeesten van het NSG in december 1953, waarop ook rector J. Gillis aanwezig was. Eminente gasten waren uitgenodigd op de viering zoals J. Hoste en C. Huysmans. De eveneens geïnviteerde Fr. Van Cauwelaert gaf verstek, naar verluidt onder politieke druk. Tijdens de plechtigheid in de Aula verlieten een aantal KVHV'ers uit protest ostentatief de rotonde. Het studentenconflict kwam zodoende in de openbaarheid. Toen er ook nog op 18 januari 1954 ingebroken werd op het secretariaat van het NSG en al wat waardevol was voor de vereniging ontvreemd werd, greep Rector J. Gillis in. Hij wilde de gemoederen binnen de studentengemeenschap tot bedaren brengen.
Onder impuls van Prof. E. Spanoghe, ondervoorzitter van de Raad van Beheer, kwam er een nieuwe paritair samengestelde bestuursformatie die aanvaard werd door het rectoraat. Tuytte werd weer voorzitter van het NSG en Snauwaert kreeg het vice-voorzitterschap maar mocht zich achteraf omwille van zijn positieve inbreng ere-vice Senior Seniorum noemen. De getrokken messen werden na de tussenkomst van de academische overheid opgeborgen, de rust keerde terug en de volgende jaren kon de Gravensteenhappening zonder herrie en met veel succes herhaald worden

A.M. Simon- Van der Meersch
Diensthoofd Archief Ugent